Schietgebedjes

Wanneer er verdriet of spanningen het leven binnensluipen, is een schietgebedje snel gedaan. Karl Marx zei: “Godsdienst is opium van het volk“. Hij had gelijk: we kunnen regelmatig wel wat verdoving gebruiken. Ik doe stiekem ook wel eens een schietgebedje, ook al ben ik niet gelovig.

Vroeger werd de Griekse wereld vanaf de Olympos geregeerd door een knappe verzameling goden die ieder hun eigen verantwoordelijkheid hadden. Wanneer je vragen had over het weer, wendde je je tot Zeus die als oppergod over aardse zaken heerste, en zijn vrouw Hera bemoeide zich met huwelijken. Poseidon waakte over de zeeën, Dionysos zorgde voor wijn en plezier en Demeter was voor de landbouw. Zo was er voor elke vraag wel een god te vinden, van twaalf grote goden, tot de wat minder bekende.

De goden hielpen de mensen wanneer ze zin hadden, want het waren allesbehalve lieverdjes: soms deinsden ze er zelfs niet voor terug om mensen in planten, dieren of sterren te veranderen. Zoek het verhaal van de hyacint maar eens op. De Griekse mythologie kan dan wel een aanlokkelijke wereld vol sprookjesachtige verhalen zijn, maar ik ben toch blij dat ik niet bang hoef te zijn voor de wraak van bijvoorbeeld Zeus, omdat ik ooit overmoedig was. Toch gaat mijn hart tekeer wanneer hij zich weer eens lekker uitleeft met donder en bliksem. In de oude wereld zou mijn kanker overigens wel als een straf van de goden zijn bestempeld. 

Sappho (ca. 630 – ca. 570 v.Chr.), de grote dichteres van Lesvos, had een speciale relatie met Aphrodite, godin van de liefde, die ze maar lastig bleef vallen met allerlei zielenroerselen. Alsof ze een vriendin belde, riep ze regelmatig deze godin in haar gedichten aan voor hulp, óf ze prees haar de hemel in om haar stroop om de mond te smeren. Een enkele keer voelde Sappho zich genoodzaakt zich te wenden tot andere goden, zoals tot Hera, die ze smeekte om haar broer Charaxos – een wijnhandelaar die ver over de zeeën voer – heelhuids en met rijk gevulde schepen terug op het eiland te brengen.

Ik hou wel van sterke vrouwen, zoals Aphrodite, maar voor genezing kan ik me toch beter tot de ‘multitasking’ Apollo wenden die er voor heel veel zaken was, onder andere voor schoonheid en perfectie, herders en matrozen, maar ook tegen kwade krachten zoals kanker.

Hoe vaak Sappho de tempels bezocht die het eiland toen rijk was, is niet bekend. Lesvos had diverse heilige plekken, waarvan Messa (tempel voor Hera, Zeus en Dionysos) en Klopedi (Apollotempel) redelijk goed bewaard zijn gebleven. Met een beetje fantasie zie je daar priesteressen wanhopige burgers te woord staan. Mytilini stond bekend om zijn heiligdom van Cybele en dat van Apollo, die overigens ook een huis in Kapi en bij Mithymna had. Dionysos zetelde in Ayos Fokas. In die allang vergane tempels werd niet alleen gebeden en gesmeekt, maar ook feest gevierd. Sappho en andere schrijvers vermelden diverse fameuze festivals die ter ere van de goden werden georganiseerd. De schoonheidswedstrijden in de tempel van Messa waren beroemd, maar er werd ook flink gedanst, muziek gemaakt, gezongen en soms gesport. En natuurlijk gezopen. 

Ik hoef niet naar de resten van die heiligdommen om bij de goden om genezing te bedelen: daar geloof ik niet in en bovendien is die hele godenwereld vergane glorie. Deze machthebbers zijn tegenwoordig vervangen door een uitgebreid netwerk van heiligen. Die wonen in kloosters en kerken, en elk dorp heeft een groot godshuis waar de gelovigen hun devotie en zorgen kunnen neerleggen. Daarnaast is het landschap van Lesvos vergeven van kleine kapelletjes, allemaal voor zo’n heilige gebouwd. 

Keuze te over, zou je denken, om voor mij een heilige te kiezen die met mij begaan is. Maar ook in heiligen heb ik niet zo’n vertrouwen, hoe sterk het geloof van de plaatselijke bevolking ook is, zoals in aartsengel Michael in het Taxiarchisklooster bij Mandamados, die regelmatig nog voor wonderen zorgt. Ik zou zijn zwarte icoon kunnen gaan kussen en vragen of hij me kankervrij zou willen maken, maar ik blijf toch pessimistisch. Ik hoef maar om me heen te kijken naar de armoede op dit eiland, ook al staat er op elke hoek een kerkje om een kruisteken te slaan. 

Mocht ik echt geloven, dan vind ik hier op Lesvos een walhalla aan heiligen die me eventueel zouden kunnen genezen. Ik zal wel hier en daar een kaarsje gaan branden, ook al is het maar om een heilige te eren. En te bedanken, want ik kan terugkijken op een mooi leven. Een schietgebedje richting zo’n kerkje kost bovendien geen enkele moeite. En een béétje opium helpt…