(Veld met kool in Eftaloe)
Vroeger zei ik nog weleens gekscherend: “Zodra er kanker bij mij wordt geconstateerd, ga ik meteen weer roken”. Maar ik heb de sigaret nog niet opgepakt. Het leven is een stuk rustiger zonder die ‘kankerstokjes’: nooit meer in de stress zitten of je er nog genoeg in huis hebt. Ook al mis ik het wel, maar niet genoeg om me weer op deze ongezonde gewoonte te storten.
Een ander fabeltje in mijn hoofd, is dat wanneer deze ziekte mijn lijf zou aanvallen, ik kilo’s zou kwijtraken. Afvallen zonder noemenswaardige moeite ervoor doen, leek me een positieve bijkomstigheid. In gedachten zag ik me weer in mijn 30 jaar oude, volslanke figuurtje rondrennen, en ik vroeg me meteen af waar al die leuke jurkjes zijn gebleven waar ik al decennia niet meer in pas. Toen ik het met mijn radiotherapeute over een passend dieet voor kanker had, vertelde ze me dat kankercellen gek zijn op vet, dus dat ik me wat dat betreft niet hoef in te houden. Je wilt immers echt niet dat die vreselijke tumoren bij gebrek aan smakelijke hapjes zich gaan storten op je organen. Dus spuit ik slagroom over koffie en chocolademelk, laat me verleiden door bergen gebak en koekjes en beleg brood met echte boter. Een van mijn verzoeken voor de radiotherapie was dat ze er op zouden letten dat mijn slokdarm niet zou worden beschadigd, wat een moeilijke opgave was daar de hoofdtumor zich verdacht veel ophield vlak naast die voedselader. Maar het is ze gelukt, dat precieuze team van radiologen! Ik heb een supergezonde honger en altijd trek in iets lekkers. En het doet er niet meer toe wat ik eet, wat een heerlijke gedachte is.
Nu moet ik toegeven dat ik precies op het goede moment in Nederland was: de beste snoeptijd, gevuld met sinterklaas- en kerstlekkernijen. Waar ik me schandalig aan te goed heb gedaan: suikergoed, borstplaat, marsepein, speculaas, amandelstaven en eindeloze variaties aan kerstkransjes. Tenslotte was er ook een grote kans dat het de laatste pepernoten en chocolade kerstballen waren die ik ooit zou eten. Telkens vond ik weer vergeten snoepgoed uit mijn jeugd, en elke banketbakkerszaak stapte ik binnen als Julie in Luilekkerland.
Ja, Nederland heeft alles aan eten wat je hartje maar begeert: niet alleen snoepgoed maar ook vleeswaren en kaas, iets wat een gemis is hier op Lesvos. Behalve hun eigen geitenkazen, kennen Griekse kaasmakers weinig variaties. Winkels zoals ze in Nederland hebben, volgestouwd met de meest verrukkelijke en uiteenlopende kazen, zijn als een onmogelijke, futuristische droom.
Maar toch. Ik was blij om het eiland weer te betreden: met zijn bescheiden supermarktjes, waar je geen uren voor een schap hoeft te treuzelen omdat je niet weet welke thee of koffie je moet kiezen en welke ontbijtgranen of welke boter of melk het beste zijn. Op Lesvos mag je blij zijn als het op de plank staat.
En dan zijn er de groenten. Daar Nederlanders geen tijd meer hebben of gewoon te lui zijn, worden de meeste groenten voorgesneden en degelijk verpakt verkocht. Je hebt zelfs kant-en-klare pakketten voor de bami, de chili of welk gerecht je ook in gedachten hebt. Compleet met een chemische fabriekssaus. Een ‘verse groentemaaltijd’ heet dat dan. Ik heb mijn ogen uitgekeken en me mateloos geërgerd aan de supermarktverslaving van de Nederlanders, die zich dit valse voedselparadijs laten aanleunen. En dan heb ik het nog niet eens over de giga afvalberg van verpakkingen die deze manier van leven produceert.
Het is heerlijk om terug op het eiland te zijn, waar de meeste groenten niet ver van de winkel groeien en waar je zelfs de vis zelf moet fileren. Er is geen zichzelf respecterende Griekse huisvrouw die voorgesneden salade in een plastic zak koopt. Ook al doen grote supermarkten erg hun best ze er toch toe te verleiden. Maar voorlopig proef je op Lesvos nog de versheid van het land, of het nou de aardappels zijn of de rode bieten.
We zijn in de carnavalstijd beland (Apokriës), waarin nog even alles wordt gegeten, voordat Schone Maandag (Kathara Deftèra, die dit jaar op 23 februari valt) de vastentijd inluidt. Dan zullen lamskarbonaadjes en malse kipfiletjes niet meer vanzelfsprekend op het menu staan. Er worden wat extra bonen ingezet om het gemis aan vlees te compenseren. Wat echter niet zal veranderen, is het aantal groenten op tafel. Een Grieks dinertje bevat nu eenmaal meer dan één groente, vers gesneden en bereid. Omdat je ook geen vis mag eten, zijn er wel schelpdieren, die geen bloedbanen hebben en daarom wél mogen worden gegeten: voor de smulpapen onder ons een traktatie. En zo heeft het Griekse eten zijn eigen kwaliteiten, waarvan versheid de grootste is.
Ik mis de zwaar overdreven Nederlandse consumptiemaatschappij voor geen meter, ook al vraag ik me af hoe ik zonder mijn favoriete banketbakker in Haarlem kan leven. Hoe moet ik nu mijn kankercellen vetmesten, zonder koninklijke taartjes en amandelbroodjes?! Desondanks voel ik me hier weer stukken gezonder, meer verbonden met de natuur. Hoewel ik de indruk heb dat kankercellen juist wars van gezondheid zijn, hoop ik dat vetmesten met verse groenten hen ook een beetje bezig kan houden, opdat ze niet zo snel geneigd zullen zijn zich aan andere dingen te vergrijpen.
Ondertussen is mijn gewicht toegenomen, maar ook weer afgenomen. Net zoals ik goede en slechte dagen heb. Maar ik kan de ijdele hoop wel vergeten, dat ik ooit nog in mijn kleine zwarte, kanten jurkje zal passen, lopend op stilettohakken waarmee ik ooit de ongelijke stoepen van Amsterdam en de levada’s op Madeira trotseerde. Die tijden komen nooit meer terug, met of zonder kanker.










